interview

Broeder Max (1903-2003)

In 1967 interviewt Liliane Wagemans, toen13 jaar oud, Broeder MAX.

Welke werken schildert u zoal, Broeder en waar haalt u uw inspiratie?

Tja. Daar is eerst en vooral de natuur. Dat is een geweldige bron van inspiratie. Alles is mooi, alles is te schilderen. Daar zijn de stillevens, maar ik gebruik dat meer als paletoefening. Dan portretten. Sommige…veel op bestelling, jammer genoeg, maar dan sommige potretten uit vriendschap en dat zijn de beste. Dan zaken die me …problemen die me kwellen. Bv. honger in de wereld, wij kunnen daar rechtstreeks niks aan doen. De overste zal dat waarschijnlijk wel doen. Maar wij hebben niks, wij kunnen dus niks geven. Dan Vietnam en zo. Dat zijn allemaal dingen die u razend maken, die u beletten van goed te slapen en smakelijk te eten. En als ik dat afreageer door het schilderen dan ben ik daar van af, die kwelling is dus gedaan. Daarmee schilder ik dus zaken die…die eigentijdse problemen. Dan ’t Evangelie, dat is een bron van inspiratie. Ik lees veel ’t Evangelie en tast onderwerpen af, dus drie, vier, vijf keren ’t zelfde onderwerp om de facetten, de verschillende mogelijkheden na te gaan. En dan kom ik tot één definitieve schilderij en dan schilder ik dat onderwerp nooit nie meer. Bijvoorbeeld de overspelige vrouw, ik heb dat drie, vier keren geschilderd. Dus alle manieren om het te schilderen. Dus de vrouw tegenover Christus, de mensen tegenover die vrouw, die vrouw opstandig, die vrouw behaaglijk tegenover Christus, maar dan ziet ze dat ze daar gene pak op heeft en dan geeft ze zich. Enfin, dat zijn allemaal facetten en dan kom ik tot één schilderij en dan is ’t gedaan met dat onderwerp.

En zijn er schilders, die u geïnspireerd hebben in uw werk en welke zijn die schilders?

Ja, ik geloof dat iedere schilder invloeden ondergaan heeft hé. Ik heb Sint- Lucas gedaan in Gent. Ik had daar een professor, Geeraard Hermans, een hele brave mens, een heilige mens, goeie vriend gebleven. Maar dat was meer een tekenaar dan een schilder. Die gebruikte bruin, bruin… Een bruinschilder noemden ze dat in Gent. En als ik dan mijn diploma gehaald heb aan de academie, dan ontmoette ik Gust De Smet. Die zei: “Ge zijt ‘nen formidabelen tekenaar maar ge zijt gene schilder.” Ik zei: “Maak van mij eens een schilder.” Goed, zei die, ik zal het doen. En dan heeft die mij de finesse van de kleuren geleerd. Dus fijne nuance van kleur hé. Bv. een blauw zetten naast een Engels rood dat opgewekt is door een ultramarijn…Enfin allemaal kleine technische dingen zo. En dan heb ik leren schilderen. En dan heeft hij gepoogd van mij te krijgen in zijn spoor, dus boerenmeiden schilderen, wafeleters, vogelenpikkers, bierdrinkers maar dat zijn dingen die me weinig aanspreken. En dan ben ik overgeschakeld naar ’t Evangelie en dan heb ik dus Smits ontdekt. Smits, een zeer godsdienstige schilder alhoewel die zelf niet praktikeerde. In Smits zijn schilderijen kan achter elke gevel Christus ineens te voorschijn komen. En langs Smits heb ik dan, en dat was ook zijn meester, Rembrandt ontdekt. Voordrachten over gegeven. Daarmee heb ik die dieper, grondiger bestudeerd. En dan ben ik in de ban gekomen van Rembrandt en heb ik een tijd zo…Rembrandtiek geschilderd. En dan was er een strekking in de kunst van meer kleur, zuiverder kleur en via Greco en Tintoretto ben ik dan gekomen tot een rijkere, scherpere kleuraanwending. Vooral Tintoretto heeft indruk op mij gemaakt na mijn Italiaanse reis in 64. En nu probeer ik dus de rijkdom van de moderne, van de niet-figuratieve, van de abstracte, die enkel kleur zoeken, die rijkdom van die kleuren te integreren in mijn werk. En daarmee is dat misschien… niettegenstaande de onderwerpen oud zijn, toch modern.

En uw stijl, hoe zoudt u die noemen?

Mijn stijl hm…tja… postexpressionisme en animisme misschien… postexpressionisme. De expressionisten, dat waren geweldige mannen, die vloekten in hun schilderijen. Die ontwrichtten de natuur om meer effect te krijgen. Maar wij zijn daar stilaan van teruggekomen, van die krachtpatserijen en wij zijn…ons generatie, rustiger in ’t schilderen. En de animisten, dat zijn mannen die de zang van hun ziel proberen te veruiterlijken. Anima is ziel, dus de geheime dingen, die zijn meer… In plaats van de expressionisten zijn die meer gehangen aan bijvoorbeeld een kind, een portret van hun moeder, kinderen aan tafel, aan ’t spel, kinderen die… enfin allemaal zo huiselijke dingen, en proberen daarop een rijkdom van kleuren op te bouwen. Zo zijn bv. Bert Van Dijck, Herman Diels, Malfait, Dezutter, Leplae, Van Overstraeten en veel andere meer. En ik denk dat ik in die categorie onder te brengen ben. Maar ik ben de slechtste van heel den hoop, natuurlijk.

En uw schilderij ‘Angst’ broeder; hoe bent u daartoe gekomen?

Ja! Ik heb een vriend in Kasterlee, Steven De Broey, den uitgever van “De Vroente”. En die heeft me eens gezegd, hij had er een beetje schrik van om dat te zeggen. “Ge zijt ‘nen goeie vent, gij schildert rustige dingen, maar tragiek kent gij niet.” En inderdaad, daar is iets van. Ik heb daarop nagedacht. En dan heb ik Kafka gelezen. “Het Slot”, dat is een paria die uitgesloten wordt in een katholiek milieu als Jood. Die dus de zonderlingste dingen beleeft, tussen droom en werkelijkheid. En ik dacht, daar zal wel iets inzitten, daar zal ik wel iets vinden dat tragisch is om te schilderen, maar niks. Een jaar nadien nog niks. En dan was die tornado daar in Oostmalle. Dan heb ik op TV een paar mensen gezien die angstig keken, met een witte flits in hun ogen, naar ’t puin van hun huis en ’s anderendaags ben ik dan begonnen met die angst te schilderen. Dus 280, als die scouts goed geteld hebben. Er zijn eens een paar scoutjes geweest die vroegen: “Br. Max, hebt ge geen werk voor ons?” en dan heb ik gezegd: “Ja, telt die mennekens.” En ze kwamen tot 280. Dus 280 mensen die staren naar een bepaald punt, vol angst. Dat is misschien tragiek.

Onderaan pagina het bewuste schilderij

En u hebt toen het boek “Vroeger en nu” geschreven. Hoe bent u daartoe gekomen?

Tja, in 49, september 49 ben ik in Tessenderlo komen wonen. Goddank! En dan ben ik naar de pastoor een goeien dag gaan zeggen en hij heeft me dan in zijn salon geleid en daar stond een hele hoop kerkbeelden, dus kerkschatten tussen zijn privé–verzameling. Dus hij had een paar kandelaars, een paar tinnen teljoren en zo. En dan stonden daar de kandelaars van de kerk, dat stond daar allemaal tussen. Dan heb ik gezegd, ja mijnheer Beets is al 80 jaar, als die vroeg of laat zo eens iets krijgt dan gaat de familie komen met een vrachtwagen. Die gaan alles opladen en zeggen, dat is van heeroom, en die zijn daarmee naar Tongeren. Ik zeg daar moet iets gedaan worden en dan heb ik een soort kataloog gemaakt, een beschrijvende kataloog van de kerkschatten in de pastorie. Om later een houvast te hebben. Dan heb ik dat gepubliceerd in ’t Boerenbelang. De mensen vonden dat interessant. Dan hebben ze andere artikels gevraagd en heb ik over Alice Nahon geschreven, over monseigneur Keesen en dergelijke dingen meer. En dan was mijn plan van dat te bundelen in een plaketje van 40, 50 bladzijden zo hé. Geschiedenis van Looi. Voor toeristen. En dan ben ik naar Hasselt geweest voor een paar opzoekingen, en meneer Bussels, dr. Bussels van ’t archief, die zei: “Ik help u niet als ge blijft bij zo’n gewoon boekske, ge moet wetenschappelijk werken.” En dan heb ik negen jaar lang heel ‘t archief doorgemaakt van Averbode, van Brussel, wat er in Tessenderlo is, van Averbode in Brussel, het archief van de kerk, het parochiearchief, van het gemeentehuis en van het rijksarchief in Hasselt. En zo ben ik dus gekomen tot dat lijvig boek. Dat jammer genoeg uitgeput Is.

En wat vindt u over de jeugd en de jonge mensen van nu? Bent u akkoord met degenen die zeggen dat de jeugd slechter is.

Ja, ik vind de jeugd zeer interessant. Ik geloof dat de elite van de jeugd thans beter is dan vroeger. Wij werden aan de leiband meegesleurd naar een bepaald doel. Wij waren minder zelfstandig. Nu denken ze zelf, ze bezinnen zich. Ze spreken ook met elkaar over problemen. Daar zijn natuurlijk uitwassen, maar…die komen in de krant maar de goei, daar hoort ge niks van. En ik denk dat er een zeer, zéér interessante elite is. Ik heb zo oud-leerlingen, die stuk voor stuk model-christenen zijn. Dus ik geef de jeugd krediet.

Dat zal ’t zijn éh. Draait eens een stukske af.
Omgezet van cda naar mp3 door Maurice Bruyndonckx

Hier het bewuste schilderij, onderaan links zijn zelfportret.